ContactService pagesAbout PnAPnA in the pressSitemap
Levensloopregeling wordt omgebouwd tot Werkbudget

This item is not available in your language. It is now displayed in the default language Dutch.

Mensen kunnen het Werkbudget meenemen bij baanwisselingen. Het Werkbudget is breder dan de levensloopregeling, zowel qua middelen die erin worden gestort (bijvoorbeeld de mogelijkheden voor geoormerkte werkgeversbijdragen), als qua doelen waar het voor gebruikt kan worden. Hierbij volgen we het advies van o.a. de SER in het rapport ‘Welvaartsgroei door en voor iedereen’ en recentelijk de Stichting van de Arbeid in de Discussienota Modernisering Regelingen Levensloop en Spaarloon. Hierin bepleiten de sociale partners een verbreding van de levensloopregeling. Er zijn verschillende redenen waarom op dit moment weinig werknemers gebruikmaken van de levensloopregeling. De besteding van de middelen is beperkt, alleen voor verlof en voor het 65e jaar. De regeling kan alleen worden gebruikt tijdens een dienstverband; door zelfstandigen of tussen twee banen in is niet mogelijk. Ook mogen werknemers niet tegelijkertijd gebruikmaken van de levensloopregeling en de spaarloonregeling.

Bovendien kan alleen geld worden opgenomen door tussenkomst van de werkgevers: dit belemmert de werknemer en is een forse administratieve last voor de werkgever. Het Werkbudget komt tegemoet aan de verschillende bezwaren. Het wordt een brede regeling, zowel wat betreft de doelgroep als in de bestedingsmogelijkheden, terwijl administratieve lasten voor de werkgever worden voorkomen. Hierdoor wordt het voor meer mensen aantrekkelijk en zullen meer mensen er tijdens het werkzame leven gebruik van maken in plaats van het te gebruiken voor prepensioen. Werknemers krijgen een instrument en een sterker belang om risico’s te voorkomen of te verzachten. Middelen voor scholing kunnen voorkomen dat werkloosheid optreedt en veranderingen van werk ondersteunen.

Iedereen betaalt mee
Alle partijen betalen mee aan de financiering van het Werkbudget: werkgevers, werknemers en de overheid. Dat sluit ook aan bij het belang dat allen hebben bij een goede inzetbaarheid van werknemers. Werkgevers storten een vaste verplichte bijdrage in het Werkbudget van iedere werknemer, ongeacht of deze een vast of een flexibel contract heeft. Deze verplichting wordt vastgelegd in de wet. De verplichte bijdrage in het Werkbudget moet voor alle werknemers voldoende omvang hebben. Op termijn moet het oplopen tot een half maandsalaris per dienstjaar. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat door dit voorstel de loonkosten stijgen. Dit zou immers ten koste gaan van de participatie. Dit is ook niet nodig. Er zijn voldoende middelen beschikbaar die nu nog worden gebruikt voor inactiviteit.
De SER adviseerde in 2005 bijvoorbeeld om de bovenwettelijke aanvullingen op de WW-uitkering te plaatsen in het perspectief van de preventie van werkloosheid40. Die middelen wil de Commissie via het Werkbudget gebruiken om mensen actief en inzetbaar te houden, zodat ze langer kunnen doorwerken. Daarbij gaat het dus om een verschuiving van inzet van middelen voor nazorg naar inzet ten behoeve van voorzorg.
De Commissie ziet vier belangrijke mogelijkheden om werkgevers de financiële ruimte te bieden voor de verplichte storting in het Werkbudget. Ten eerste gaat de Commissie ervan uit dat mensen langer doorwerken. Dat is nodig voor de arbeidsparticipatie en maakt het mogelijk dat ouderen tot op hogere leeftijd meedoen op de arbeidsmarkt. Als mensen langer doorwerken, hoeft er ook minder pensioen opgebouwd te worden. Op dit moment is de pensioenopbouw van de gemiddelde werknemer relatief hoog, zeker in combinatie met het opbouwen van eigen vermogen. De Commissie stelt daarom voor om het opbouwpercentage onder het fiscale stelsel voor pensioensparen te verlagen van 2% naar 1,75% eindloon en van 2,25% naar 2% middelloon. Hierdoor worden er middelen gecreëerd voor het Werkbudget. Iedereen kan nog steeds fiscaal ondersteund een goed pensioen opbouwen. In 40 jaar kan 70 procent van het laatstverdiende loon worden bereikt.
Daarnaast zorgt de koppeling van de spilleeftijd in pensioenregelingen (de leeftijd waarbij er met 70 procent loon uitgetreden kan worden) met de levensverwachting op termijn voor een aanzienlijke vermindering van de pensioenpremies. In de komende jaren zal de levensverwachting naar verwachting nog verder stijgen en zullen mensen navenant langer in goede gezondheid actief onderdeel van de samenleving zijn. Het ligt voor de hand om in navolging van andere landen langer door te werken (zie hoofdstuk 6). De premies voor aanvullende pensioenen die daardoor worden uitgespaard scheppen financiële ruimte voor werkgevers voor stortingen in het Werkbudget. Hierdoor nemen de bestedingsmogelijkheden van fiscaal gefacilieerd inkomensuitstel toe. De middelen hoeven immers niet besteed te worden aan pensioen, maar kunnen ook eerder worden opgenomen voor bepaalde doelen.

Ten tweede stelt de Commissie de introductie van een Werkverzekering voor (zie paragraaf 5.1.2). De verwachting is dat, mede als gevolg van de andere vormgeving, de kosten van deze nieuwe regeling lager zullen liggen dan bij de huidige WW. Die besparing wordt ten eerste bereikt doordat (langdurige) werkloosheid minder vaak zal voorkomen, juist omdat mensen investeren in hun inzetbaarheid. De nadruk verschuift hierdoor van nazorg naar voorzorg. In het verlengde hiervan ligt het voor de hand de duur van de werkloosheidsuitkering in te korten. Hierdoor kunnen sociale premies worden verlaagd en komt financiële ruimte vrij bij werkgevers, die kan worden benut voor stortingen in het Werkbudget.

Ten derde stelt de Commissie dat als complement van de Werkverzekering in de praktijk alleen in bijzondere situaties nog ontslagvergoedingen zullen worden betaald. Werkgevers maken hierdoor minder kosten dan in de huidige situatie, waardoor ruimte ontstaat voor stortingen in het Werkbudget.
Ontslagvergoedingen zijn nu een compensatie voor een geleden schade, achteraf, met vaak veel bijkomende (juridische) kosten. Deze kunnen eerlijker en efficiënter ingezet worden door ze al gedurende het dienstverband te gebruiken om te investeren in inzetbaarheid. Daarmee wordt geld dat nu voor inactiviteit en procedures wordt benut, aangewend voor activering en participatie. Voorkomen is beter dan genezen. De nadruk verschuift van schadeloosstelling naar schadelastbeperking en preventie en van nazorg naar voorzorg.

Ten vierde worden de levensloopregeling en spaarloonregeling geïntegreerd in het nieuwe Werkbudget. Stortingen die werkgevers nu in de levensloopregeling doen, kunnen dus in de toekomst worden omgezet in stortingen in het Werkbudget, zonder dat dit tot extra kosten hoeft te leiden. Naast een verplichte storting van werkgevers, kunnen sociale partners ook afspraken maken om middelen in te zetten die nu beschikbaar zijn voor scholing, zoals O&O-fondsen en andere scholingsmiddelen. Ook zouden werknemers de ruimte kunnen krijgen om bepaalde middelen, zoals ADVdagen, tijdelijk loon, prestatietoeslagen, winstuitkeringen, eindejaarsuitkeringen en overwerk te storten in het Werkbudget. Maar werknemers kunnen natuurlijk ook uit andere bronnen geld storten in hun Werkbudget.
De overheid draagt bij via de fiscale faciliëring van het Werkbudget, via de omkeerregel. De budgettaire middelen die nu met de levensloopregeling en het spaarloon zijn gemoeid kunnen worden ingezet voor de financiering van de fiscale faciliëring van het Werkbudget. Een andere bron voor de fiscale ondersteuning van het Werkbudget wordt gevormd door de extra belastinginkomsten als gevolg van de verminderde aftrek van pensioenpremies. Verder zou kunnen worden gedacht aan de inzet van middelen die thans aan reïntegratie worden besteed. Om te zorgen dat alle inkomensgroepen een voldoende omvang van het Werkbudget kunnen opbouwen en om te voorkomen dat het voor verschillende inkomensgroepen te ver uiteenloopt, wordt het maandsalaris waar de verplichte stortingen van worden afgeleid gemaximeerd. Een groter gedeelte van de te besteden middelen aan Werkbudget komt dan ten goede aan de lagere inkomens. Dit kan nog versterkt worden door naast de fiscale omkeerregel, voor de lagere inkomens eventueel nog een gerichte fiscale impuls bij inleg te creëren. Verder kan de vrijstelling voor belastingheffing in Box 3 worden afgetopt bij een bepaald absoluut niveau van de ingelegde gelden. Zo hebben ook lage inkomens genoeg middelen. Vooral mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn gebaat bij investeringen in inzetbaarheid. Zij moeten tijdens hun werkzame leven competenties ontwikkelen en bijhouden om makkelijk te kunnen overstappen van de ene baan naar de andere.
De huidige levensloopregeling wordt vooral gebruikt door hoger opgeleiden die daarmee hun pensioen aanvullen. De nieuwe brede regeling moet voor alle doelgroepen toegankelijk zijn en voldoende middelen bevatten. Om die reden worden de levensloopregeling en spaarloonregeling geïntegreerd in het nieuwe Werkbudget.